Een klein wezentje waggelde over een bruggetje. 

Het helde naar links en naar rechts en

het kromde zo nu en dan zijn ruggetje.

Was het een vrouwtje of een meneertje? 

Een diertje? 

Het zat verscholen onder een vachtje

dat ook een jasje kon zijn, 

het was niet goed te zien.

Het liep er met regen en met,

zoals men zegt, wat een weertje. 

Altijd met de snuit vooruit.

Je kon van achter niet zien wat er waggelde, 

maar het stampte luid.

Niemand wist wie of wat het was,

maar men liet het altijd waggelen

tot het er niet meer was. 

Ze hebben het wezentje nooit meer gezien,

niemand wist wat het nu was. 

Het was er nooit van gekomen

het gedag te zeggen of vaarwel,

iedereen liep daarvoor in gedachten

of veel te snel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *