Ze voelde in heel haar lichaam 

dat er iets goed fout was.

Ze strompelde de trap af 

en in de keuken verstijfde ze.

Door het raam zag ze, 

doorweekt op het gras, 

haar liefde.

De regen hard tegen haar voorhoofd,

haar armen zacht om hem heen.

Even wist ze helemaal niets, 

ze was verdoofd.

Stil neuriede ze,

toen ze met hem 

in de nacht verdween. 

Samen op heel veel mooie dagen,

samen nooit alleen.

In de regen bleef ze tegen hem praten,

In de regen bracht ze hem 

weer bij haar terug.

Ze voelde het natte gras 

niet langer meer aan haar kleven, 

na haar laatste zucht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *